Jij zit niet in mijn gevangenis: verhaal van een mantelzorger

Verhaal van mantelzorger over mantelzorger zijn

Wij hebben alle twee in ons huwelijk ons eigen werk en onze eigen contacten gehad.

Veel deden we samen, maar daarnaast hadden we ieder ons eigen leven.

Daar vertelden we elkaar over.

Ik meer dan jij. Ik ben een echte prater.

Jij veel minder.

Sinds de alzheimer is dat anders.

Ik moet leren minder te vertellen.

Het is allemaal veel te verwarrend voor jou.

Dat is lastig, maar ik leer het wel.

Op de vraag van onze begeleider hoe wij willen leven antwoord jij: “met Janneke fietsen, koffie drinken, lezen en tv kijken…”

Alles met mij. Ik word er benauwd van.

Voor mij is dat anders. Ik wil al die dingen ook met jou doen, maar daarnaast wil ik ook mijn eigen vrijwilligers werk doen en mijn vriendinnen zien.

Dat zeg ik ook.

Als de begeleider vraagt: “Hoe vind je dat als Janneke dat zegt?

reageer je met:

Ja, zo is Janneke. Daar heeft ze recht op en dat heeft ze nodig.

Je zegt ook dat je niet alleen durft te zijn.

Het is mooi dat je dat allemaal zegt. Wat vertrouw je mij en de begeleider.

We regelen gezelschap voor jou als ik weg ben.

Gaandeweg de ziekte zeg je er zo nu en dan wat van als ik weg ga en er iemand anders komt.

“ik vind het wel… desnoods.”

Als ik dan zeg dat het wel heel fijn is als ik terug kom, kun je er mee omgaan.

Ik leg een briefje op de tafel waarop staat hoe laat ik thuis ben en wat mijn mobiele nummer is.

Van de mensen die bij je zijn hoor ik dat het briefje je houvast geeft, ook als je het niet meer kunt lezen.

Soms ga je mij zoeken, dit doe jij ook wel als ik thuis ben en je mij niet meer herkent.

Een keer zei je: “Jij zit niet in mijn gevangenis”

Aan het eind van de ziekte heb je meestal niet in de gaten wanneer ik weg ga en weer terug kom.

Dit is gemakkelijk.

Maar ik mis je blijdschap en de dikke zoenen die je me geeft als ik thuis kom.

Dat is een zwaar gemis.

Janneke Harmsen